De zaak begon in 2017. Het Franse bedrijf Metric sloot toen een overeenkomst met de naar Marokkaans recht opgerichte onderneming Satisfactory.
Satisfactory moest medewerkers leveren die tijdelijk opdrachten in Frankrijk uitvoerden. De betrokken consulente werkte van 2 januari tot en met 31 oktober 2017 bij eindklant Alteca.
Alteca had overeenkomsten voor technische ondersteuning en onderaanneming gesloten met Metric. De Marokkaanse werkte er persoonlijk als Java-studie-ingenieur.
Op Bladna.nl: Marokkaanse diaspora: aangifte bankrekeningen in Marokko vanaf nu verplicht
Alteca stelde maandelijks activiteitenrapporten op. Satisfactory factureerde vervolgens aan Metric, waarna in totaal 38.530 euro aan de Marokkaanse vennootschap werd overgemaakt.
Na een controle bij Metric onderzocht de Franse belastingdienst ook de persoonlijke situatie van de consulente. De fiscus beschouwde de 38.530 euro als een vergoeding voor diensten die zij persoonlijk in Frankrijk had verricht.
Voor het belastingjaar 2017 kreeg ze een aanslag van 10.512 euro aan inkomstenbelasting. Daar kwam 8788 euro aan verhogingen en andere sancties bij, wat het totaal op 19.300 euro bracht.
De consulente betwistte de aanslag. Ze stelde dat ze niet als zelfstandige had gewerkt, geen contracten had onderhandeld of ondertekend en zelf geen facturen had verstuurd.
Ook benadrukte ze dat het geld niet op haar eigen rekening was gestort. Volgens haar was sprake van een arbeidsrelatie en kon de omzet van de Marokkaanse onderneming niet automatisch als haar persoonlijke inkomen worden beschouwd.
Ongeveer tien andere Marokkaanse medewerkers zouden zich in een vergelijkbare situatie hebben bevonden. Volgens de vrouw was het onwaarschijnlijk dat zij allemaal afzonderlijk een verborgen zelfstandige activiteit hadden uitgeoefend.
Betaling aan bedrijf gold als vergoeding voor haar werk
Het administratief hof van beroep in Nantes volgde haar redenering niet. In zijn uitspraak van 3 februari 2026 stelde het hof vast dat de diensten persoonlijk door haar in Frankrijk waren uitgevoerd.
De Marokkaanse onderneming had volgens de rechters niet aangetoond dat zij zelf een afzonderlijke bijdrage had geleverd die overeenkwam met de verstuurde facturen. Daardoor vormden de betalingen aan Satisfactory volgens het hof in werkelijkheid de tegenprestatie voor het werk van de consulente.
De rechters pasten artikel 155 A van het Franse belastingwetboek toe. Dat artikel maakt het mogelijk om een dienstverlener in Frankrijk te belasten wanneer de vergoeding via een buitenlandse onderneming wordt betaald.
Daarbij speelde mee dat niet was aangetoond dat Satisfactory hoofdzakelijk andere industriële of commerciële activiteiten uitvoerde dan het ter beschikking stellen van de betrokken medewerkers.
Op Bladna.nl: Marokko start fiscale gegevensuitwisseling in 2028
Het hof vond evenmin bewijs voor een gezagsverhouding. Er waren geen documenten waaruit bleek dat Metric of Satisfactory haar rechtstreeks instructies gaf of voortdurend toezicht hield op haar werk.
Het feit dat ze zelf geen facturen had opgesteld en het geld niet persoonlijk had ontvangen, veranderde volgens de rechter niets aan de fiscale beoordeling.
Een betwiste factuur van 5375 euro werd eveneens aanvaard. De belastingdienst beschikte daarnaast over een bewijs van een overschrijving van 13.370 euro van Metric aan Satisfactory.
De consulente had in maart 2025 al verloren bij de administratieve rechtbank van Nantes. Ook haar hoger beroep werd afgewezen, waardoor de belastingaanslag van 19.300 euro behouden blijft.