De studente, geboren op 7 maart 2001 in Fez, kwam op 1 maart 2024 legaal Frankrijk binnen met een visum als stagiaire. Vervolgens ontving zij een langdurig visum als student, dat geldig was tot 3 september 2025.
Lees ook : Zes jaar in het land en kinderen op school, maar overheid eist dat Marokkaanse vertrekt
Op 23 mei 2025 diende zij een aanvraag in voor de verlenging van haar verblijfsvergunning. Deze aanvraag werd afgesloten, waarna zij op 13 november 2025 een nieuwe aanvraag indiende. Omdat een reactie van de administratie uitbleef, ontstond er automatisch een stilzwijgend besluit tot afwijzing.
Hierop stapte de jonge vrouw naar de bestuursrechter in Cergy-Pontoise. Haar verzoek werd op 8 juli 2026 geregistreerd en op 25 juli aangevuld. Zij legde uit dat het ontbreken van een verblijfsdocument het voortzetten van haar werk-leertraject en haar masteropleiding in gevaar bracht.
Prefectuur moet haar laten werken en studeren
In het vonnis van 30 juli 2026 erkende de bestuursrechter de urgentie van de zaak. De rechter stelde vast dat de prefect van Val-d’Oise geen verweerschrift had ingediend. Het argument dat de persoonlijke situatie van de studente niet was onderzocht, werd voldoende serieus geacht om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de weigering.
De rechtbank besloot de uitvoering van de stilzwijgende afwijzing te schorsen totdat er ten gronde over de rechtmatigheid is beslist. Dit betekent op dit moment nog geen definitieve vernietiging van het besluit van de prefectuur.
De overheid moet de aanvraag van de studente nu binnen een maand na de kennisgeving van het vonnis opnieuw onderzoeken. Bovendien moet de administratie haar binnen zeven dagen een ontvangstbewijs van de aanvraag verstrekken waarmee zij mag werken. Aan deze verplichting is een dwangsom van 100 euro per dag vertraging verbonden.
Lees ook : Autoriteiten teruggefloten: Marokkaanse kok krijgt direct verblijfsvergunning
De Marokkaanse studente, die niet werd bijgestaan door een advocaat, vroeg ook om een vergoeding van 1000 euro voor proceskosten. De rechter wees deze eis af omdat zij niet kon aantonen dat zij deze kosten daadwerkelijk had gemaakt. De zitting vond plaats op 27 juli, zonder aanwezigheid van de twee partijen.